Workum, St. Werenfriduskerk - extra informatie
   
     
     
 
'zijnde er geen fraaijer en doelmatiger orgel in de Provincie Friesland'
Over de orgels in de statie en parochiekerk te Workum
 
 
 
Inleiding
 
Wie Workum nadert, ziet tegenwoordig als één van de meest in het oog springende gebouwen al van verre de parochiekerk, gewijd aan de H. Werenfridus. Dat is niet altijd zo geweest: uitingen van de r.k. religie waren in Friesland na 1580 lange tijd verboden of werden slechts oogluikend toegestaan. Het geestelijke leven speelde zich in het verborgene af in zogenaamde schuilkerken: vanaf de openbare weg niet als zodanig herkenbare kerkgebouwtjes, sommige op de zolder van een huis (zoals te Dokkum), andere vermomd als boerderij (Warga) of in een schuur (Bakhuizen). Vanaf de Franse tijd kwam in deze situatie geleidelijk verbetering, maar echte vrijheid kwam er pas na de herinvoering van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853.
 
 
De aanvankelijk zeer bescheiden kerkjes werden in de loop van de 18de en begin van de 19de eeuw ook voorzien van orgels; meestal betrof het kleine balustrade-orgels, positieven of kabinetorgels; soms nieuw, maar in heel wat gevallen betrof het een elders afgedankt instrument. Aanschaf was soms mogelijk dankzij één of meer gefortuneerde kerkleden of een rijke priester, maar meestal werden daartoe vrijwillige 'liefdegaven' ingezameld. Wilde men in een statie een orgel, dan was er dikwijls de nodige weerstand te overwinnen van de kant van de lokale overheid. Zo moest men bijvoorbeeld in Harlingen beloven dat het orgel niet zou worden bespeeld gelijktijdig met diensten in de hervormde kerk.
 
 
Het Schuilkerk-orgel
 
Nadat er in 1680 in Workum sprake was van de inrichting van een 'bedehuis der R. Catholiquen', werd dit in 1773 opgevolgd door een 'echte' kerk, al was het dan ook nu in de vorm van een schuilkerk, met het uiterlijk van een pakhuis. Het interieur van dit kerkje werd in 1777 verrijkt met een orgel; dat dit alleen mocht gebeuren 'met toestemming van den Raad' [lees: stadsbestuur] geeft al aan hoe onvrij de katholieken in Workum op dat moment nog waren in het oprichten van hun eigen 'huis'. Uit de periode tot 1855 is over dit orgel verder niets bekend. Een parochie-inventaris uit dat jaar omschrijft het als volgt: "Een orgel, welke pronk-pijpen van het front uit hout zijn vervaardigd, zonder spraak". Het betrof dus vermoedelijk een groot kabinetorgel of een positief, geplaatst achter een 'kerkfront' met namaakpijpen van hout. In de periode daarna moet dit instrument in onderhoud zijn geweest bij Eeltje Ypma (1819 - 1893), orgelmaker te Bolsward, wiens naam in de jaren '70 en daarná wordt genoemd. Hij is altijd in de schaduw blijven staan van zijn meer bekende broers Dirk en Lolke (Lodewijk); eerstgenoemde was in 1834 0f 1835 een eigen orgelmakerij begonnen in Bolsward, waarin zijn broers Eeltje en Lolke gingen meewerken. In 1842 stichtten Dirk en Lolke een succesvol bedrijf in Alkmaar. Eeltje bleef achter in Bolsward en verrichtte vooral onderhoud en reparaties; daarnaast verhandelde hij ook occasions, meestal overgenomen van het bedrijf in Alkmaar. Zijn grootste karwei was de ombouw van het Jan Harmens-orgel in de hervormde kerk in .... Workum! In 1877 ontving Ypma fl. 230,- voor de overplaatsing naar de nieuwe (huidige) parochiekerk; drie jaar later betaalde men hem fl. 100,- voor een tijdelijk gehuurd seraphine-orgel (kerkharmonium). Het oude orgel zal niet meer hebben voldaan in de veel grotere nieuwe kerk, nog afgezien van de sterk veranderde kerkmuzikale eisen. Gelukkig kon de pastoor in1884 melden dat Bernardus Fluitman "die reeds veel heeft gegeven voor den bouw en tot verfraaiing van onze kerk, heeft ons onlangs wederom een kostbaar geschenk, een nieuw orgel, dat ruim vijfduizend gulden moet kosten, voor de kerk aangeboden, onder voorwaarde echter dat het oude orgel, dat niet veel meer waard is, verkocht en de opbrengst darvaan aan hem worden afgestaan". Het nieuwe orgel zou worden gebouwd door de orgelmaker P.J. Adema, woonachtig in Amsterdam, maar ook met een verleden in Friesland.
 
 
De orgelmaker P.J. Adema
 
Petrus Josephus (Piet) Adema (1828 - 1919) werd geboren in Leeuwarden, waar zijn vader het vak van timmerman uitoefende. Samen met zijn broer Carolus Borromeus werd in 1855 de orgelmakerij Gebr. Adema opgericht. Behalve pijporgels, geleverd aan kerken van diverse gezindten, vervaardigden zij ook huispijporgels, ook wel meubelorgels genoemd. In 1868 werd in Amsterdam een nevenvestiging gesticht, vermoedelijk vanwege de grotere expansiemogelijkheden in Holland. P.J. Adema nam de leiding van deze vestiging op zich, in nauw contact met zijn broer in Leeuwarden,waar het hoofdatelier bleef gevestigd. In 1871 bouwden ze in nauwe samenwerking met de Franse consul/orgeldeskundige Chales-Marie Philbert in de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk een voor ons land hyper-modern orgel waarin voor het eerstdiverse elementen uit de Frans orgelbouw van die tijd waren opgenomen. Zowel in grotere orgels (o.a. Ferwerd, 1873) als in kleinere (o.a. Dearsum, 1875) zijn daarna deze nieuwe invloeden terug te vinden. Bedrijfseconomische problemen leidden tot een faillissement en de scheiding van beide vestigingen, die daarna zelfstandig verder ginden. Het bedrijf in Leeuwarden werd opgeheven in 1941, dat te Amsterdam (sinds 2002 Hillegom) bestaat nog steeds en vierde in 2005 het 150-jarig bestaan.
 
 
Het Adema-orgel
 
Waarom men zich in Workum voor de bouw van het nieuwe orgel niet wendde tot het bedrijf in Leeuwarden, maar tot P.J. Adema is niet bekend. In ieder geval offreerde P.J. Adema in 1884 aan de kerkmeesters een orgel, gevat in twee kassen, zodat het raam in de toren vrij bleef, met een vrijstaande speeltafel vlak voor de buitenmuur. Dat leidde tot een complexe mechaniek onder de vloer. Een orgel volgens een dergelijke opzet was op dat moment nog niet erg gangbaar en zekerniet in Friesland. Het was in deze provincie het eerste in twee kassen sinds het instrument dat Gebroeders Adema in 1863 had geleverd aan de parochiekerk te Wolvega. Dat laatste instrument was zelfs het eerste in ons land in de 19e eeuw met een dubbele kas! Op basis van de door P.J. Adema aangedragen maten, werd een ontwerp voor de kassen van het nieuwe orgel te Workum gemaakt door (Friedrich) Wilhelm W. Mengelberg te Utrecht, een bekende ontwerper van kerken en (onderdelen van) kerkinterieurs.
 
 
De beide orgelkassen, blaasbalgramen en de stellingen voor de blaasbalg en de windlades werden in Franeker vervaardigd in het bedrijf van broer Epke (overleden eind 1884) en diens zoon Nicolaas. De frontpijpen waren vervaardigd in het bedrijf van Veuve Caille te Parijs en kostten 500 francs (=fl. 238,25). Het binnenpijpwerk kan zowel afkomstig zijn van de firma Franssen te Roermond, als uit de werkplaats van de orgelpijpenmaker W.A. de Bruijn te Utrecht. Het plaatsen van de eerste (front)pijp op 15 maart 1885 werd uiteraard gegund aan Bernardus Fluitman, de gulle gever van het instrument. De ingebruikneming vond plaats op woensdag 8 april met een bespeling door Jos A. Verheijen, organist van de Amsterdamse Mozes en Aäronkerk, nadat hij het nieuwe orgel kort daarvoor had gekeurd. Volgens hem was erop het instrument als zodanig weinig aan te merken, het was geheel volgens het bestek gebouwd. Wel betreurde hij het - afgezien van het ontbreken van twee door hem graag geziene registers Flute Harmonique 8 vt en Vox Humana 8 vt op het Positief - de afwezighid van een zwelkast en (voor de speelmechaniek) van een pneumatische hefboom (een zgn.Barkermachine); het zou dan naar zijn mening [nog] meer hebben voldaan aan de "eischen van den tegenwoordigen tijd". Desalniettemin kon de zang "zoo zacht en genuanceerd als mogelijk" worden begeleid en viel er op intonatie en stemming van het pijpwerk feitelijk niets aan te merken. Samengevat was zijn oordeel: "zijnde er geen fraaijer en doelmatiger orgel in de Provincie Friesland". Daarmee kon men het zeker doen! P.J. Aema heeft wel geprobeerd het vroegere schuilkerk-orgel te verkopen, maar het resultaat daarvan is vooralsnog onbekend. Het nieuwe orgel bleef tot op de huidige dag in onderhoud bij de firma Adema.
 
 
Verdere lotgevallen
 
Het pleit voor de kwaliteit van het instrument dat er gedurende vele jaren weinig grote onkosten waren. In 1923 werd fl. 687,50 betaald voor aanschaf en plaatsing van een elektrische windmotor. In 1963 vond een grondige schoonmaak en uitgebreid herstel plaats. Naar aanleiding van een rapport door Hans van der Harst diende firma Adema-Schreurs in 1982 een plan in voor intergraal herstel. Het duurde echter nog ruim twee decennia voor daartoe de benodigde geldelijke middelen waren gevonden. De restauratie door Adema's Kerkorgelbouw van dit nog geheel ongewijzigde instrument werd voltooid in 2004. Het orgel is daardoor weer een letterlijk en figuurlijk luisterrijk onderdeel van het reeds eerder gerestaureerde kerkinterieur.
 
 
Klaviatuur
 
De klavieren bestaan uit het fijnste en zachtste droog wagenschot gezaagd eikenhout om vooral het kromtrekken tegen te gaan. De toetsen zijn belijmd met eerste kwaliteit orgel-ivoor. De hoge of kruistonen zijn met massief ebbehout belijmd. Het pedaal is vervaardigd van taai en dradig wagenschot gezaagd eikehout. De verdeling van de toetsen van het pedaal is zoals die op het congres te Mechelen is bepaald.
 
 
Balg /Laden
 
De blaasbalg bestaat uit een flink horizontaal reservoir. Bovenin is een regulateur aangebracht om alle 'schokkingen' in de wind te voorkomen. Blaasbalg en regulateur zijn met "best fransch leder" belijmd. De windladen zijn geheel vervaardigd van wagenschot gezaagd eikehout. Speciaal wordt er op gewezen dat de cancellen van genoegzame inhoud moeten zijn, zodat er volstrekt geen windziekte mag ontstaan. Alle draad- en trekwerk, die tot de windladen behoren, zijn van koper gemaakt.
 
 
Regeerwerk
 
Het regeerwerk is van "ijzer" gemaakt en tegen de roest beveiligd. De verschillende punten, waar ijzer en koper verbonden zijn, zijn bevoerd om te voorkomen dat er rammeling ontstaat.
 
 
Pijpwerk
 
De frontpijpen zijn vervaardigd van 90% engels tin gemengd met 10% lood. Het binnen pijpwerk, gemaakt van "engels tin" bestaat uit 66% tin en 34% lood. Het pijpwerk van metaal is vervaardigd uit een gehalte van 66% lood en 34% tin. De houten pijpen zijn gemaakt van riga-vurehout en zijn met een goed dekkende verf en vernis overstreken.
 
 
Intonatie
 
Deze is voorgeschreven op "een luchtdrukking van tien centimeters water". Een register moet krachtig en in zijn eigen karakter van toonkleur aanspreken. Hoervoor wordt omschreven:
 
  Prestant : krachtig rein en doordringend
  Viola : teder, strijkend en snijdend
  Bourdon : krachtig, vol en rond
  Fluitwerk : krachtig, vol en rond
  Tongwerken : glansrijk, krachtig, zodanig, dat ze tezamen een volle harmonieuze klank opleveren.
 
 
      VICTOR TIMMER
 
 
 
Terug


stuur link via whatsapp stuur link via mail kopieer link naar clipboard